Buitengewoon onderwijs:
voor wie?


Het Buitengewoon Onderwijs (BO) voorziet in de opvoeding van en het geven van onderricht aan kinderen die moeilijkheden ondervinden om in een gewone school onderwijs te volgen.

De leerlingen van het BO worden ingedeeld in 8 types:

  • Type 1: leerlingen met een licht mentaal ontwikkelingstekort. Deze leerlingen kunnen elementaire schoolse kennis en vaardigheden aanleren zodat voor hen een integratie in het gewone sociale en beroepsleven mogelijk is.
  • Type 2: leerlingen met een matig tot ernstig ontwikkelingstekort. Deze leerlingen kunnen dankzij een sociale vorming en een aangepaste opleiding opgenomen worden in een beschermd socio-professioneel milieu (dagverblijf, beschutte werkplaats,...)
  • Type 3: leerlingen met karakterstoornissen(gedrags-, opvoedings- of emotionele moeilijkheden)
  • Type 4: leerlingen die omwille van motorische storingen en/of (para)medische behandelingen het gewoon onderwijs niet kunnen volgen.
  • Type 5: leerlingen die voor een lichamelijke aandoening behandeld worden in een ziekenhuis of een medisch-sociale instelling.
  • Type 6: blinden en slechtzienden.
  • Type 7: doven en slechthorenden.
  • Type 8: leerlingen die normaal begaafd zijn, doch leerstoornissen vertonen die dermate ernstig zijn, dat bijzondere hulp in het gewoon lager onderwijs onvoldoende is. Deze leerlingen keren na de nodige hulp terug naar het gewoon onderwijs.


Structuur van het Buitengewoon Onderwijs.

  • Buitengewoon Kleuter Onderwijs (BKlO)

types 2-3-4-5-6-7
leerlingen van 2.5 tot 7 jaar
28 lesuren/week

  • Buitengewoon Lager Onderwijs (BLO)

types 1-2-3-4-5-6-7-8
leerlingen van 6 tot 13 jaar
28 lesuren/week

  • Buitengewoon Secundair Onderwijs (Bu.S.O..)

types 1-2 3-4-5-6-7
leerlingen van 13 tot 21 jaar
32 lesuren/week


Structuur Bu.S.O. (Buitengewoon Secundair Onderwijs)

Evenals het gewoon secundair onderwijs biedt ook het Bu.S.O. verschillende afdelingen, die we "opleidingsvormen" noemen.

  • Opleidingsvorm 1 (OV1): doel: sociale aanpassing en "zelfstandig" leven. Integratie in een beschermd leefmilieu. Voor leerlingen van het type 2, 3, 4, 6 en 7.
  • Opleidingsvorm 2 (OV2): doel: sociale aanpassing en arbeidsgeschiktmaking. Integratie in een beschermd leef- en arbeidsmilieu. Voor leerlingen van de types 2, 3, 4, 6 en 7.
  • Opleidingsvorm 3 (OV3): buitengewoon beroepsonderwijs. Doel: algemene, sociale en beroepsvorming. Integratie in een gewoon leef- en arbeidsmilieu. Voor leerlingen van de types 1, 3, 4, 6 en 7.
  • Opleidingsvorm 4 (OV4): doel: voorbereiden op voortzetting van de studies en mogelijkheid bieden om het beroepsleven in te stappen. Voor normaal begaafde leerlingen die omwille van hun handicap of voortdurende medische en paramedische ondersteuning niet naar het gewoon onderwijs kunnen.


Wat na het Buitengewoon onderwijs?

De leerlingen uit het buitengewoon beroepsonderwijs worden voorbereid op een job binnen het gewone arbeidscircuit.

In het 4de en 5de jaar gaan zij respectievelijk 3 en 6 weken op stage. Zowel in de praktijklessen als in de lessen "algemene vorming" wordt veel aandacht besteed aan de voorbereiding van de leerlingen op een zelfstandig leven.

Op het einde van hun opleiding kunnen de leerlingen deelnemen aan een kwalificatieproef. De leerlingen die hiervoor slagen krijgen een kwalificatiegetuigschrift (=diploma). De anderen krijgen een attest dat zij de volledige opleiding "buitengewoon beroepsonderwijs" beëindigd hebben.

Een groot deel van de afgestudeerde leerlingen vindt een job in het gewone arbeidscircuit.

 

Login